Wie het langst zonder werk zit, heeft het minst aan de klassieke begeleiding.
Dat is de kern van nieuw onderzoek van econoom Johannes Spinnewijn (London School of Economics), dat De Standaard op 21 oktober 2026 bracht. Het onderzoek verschijnt midden in het cijferdebat over de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd.
Minister Zuhal Demir stelde dat een derde van de langdurig werklozen opnieuw aan het werk is dankzij de hervorming. Volgens de VDAB ligt dat genuanceerder: 32 procent vond in 2026 werk, maar het jaar voordien was dat al 23 procent. Het deel dat rechtstreeks aan de hervorming toe te schrijven is, schat de VDAB op 7 procentpunt.
Wij lazen ook het onderliggende onderzoek: At-Risk or Responsive? Targeting in Unemployment Policy van Sebastian Ernst, Andreas Mueller, Johannes Spinnewijn en Joost Bollens (VDAB). Het verscheen in september 2026 als discussion paper bij onder meer CEPR en IZA, en is gebaseerd op administratieve gegevens van de VDAB over de periode 2018–2022. De vraag die het stelt, raakt de kern van ons werk: wat werkt voor wie?
Wat het onderzoek vaststelt
De VDAB voorspelt sinds 2018 met een algoritme wie risico loopt om lang werkloos te blijven. Wie volgens het model minder dan 65 procent kans heeft om binnen zes maanden werk te vinden, wordt al na enkele weken actief gecontacteerd en kan een bemiddelaar toegewezen krijgen. De onderzoekers bekeken wat die begeleiding oplevert, en voor wie.
Gemiddeld werkt begeleiding. Wie voorrang krijgt, werkt de drie maanden nadien ongeveer 9 procent meer dagen. Die begeleiding bestaat vooral uit gesprekken, sollicitatieopdrachten en opvolging, en nauwelijks uit opleiding.
Maar niet voor iedereen even sterk. Voor wie dichter bij werk staat, is het effect groot. Voor de groep met het hoogste risico, net de groep die voorrang krijgt, vinden de onderzoekers geen meetbaar effect van deze begeleiding.
Risico voorspellen is iets anders dan weten wat helpt. Wie enkel inzet op het risicoprofiel, haalt in het rekenmodel van de onderzoekers minder uit dezelfde middelen dan een willekeurige verdeling. Een aanpak die risico én verwachte impact combineert, levert bijna drie keer zoveel op.
Vroeg ingrijpen loont. Hoe langer mensen werkloos zijn, hoe kleiner hun kans op werk. Wie vroeg de juiste steun krijgt, heeft er het meeste aan.
Wat het onderzoek wél en niet zegt. Het onderzoek kijkt naar de klassieke begeleiding door de VDAB: gesprekken, een bemiddelaar, sollicitatieopdrachten en opvolging. Opleiding, werkplekleren of intensieve trajectbegeleiding kwamen er nauwelijks in voor. Het effect werd gemeten op werk binnen enkele maanden.
=> De conclusie is dus niet dat mensen met een groot risico niet geholpen kunnen worden. De conclusie is dat déze begeleiding voor hen weinig uithaalt. Welke ondersteuning voor hen wel werkt, werd niet onderzocht. Spinnewijn benadrukt zelf dat het geen pleidooi is voor minder hulp aan wie het moeilijk heeft, maar om uit te zoeken wat voor wie wel werkt.
Wat dit betekent vanuit de praktijk
Voor de werkplekarchitecten bevestigt het onderzoek wat we op het terrein zien. Mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt komen zelden verder met enkel gesprekken en sollicitatieopdrachten. Zij hebben nood aan een andere vorm van ondersteuning: leren op de werkvloer, intensieve trajectbegeleiding, aandacht voor wat er naast werk speelt.
Dat de klassieke begeleiding bij hen weinig uithaalt, is dus geen reden om minder te investeren. Het is een reden om te investeren in wat wél werkt. Daar ligt precies de expertise van onze leden.
Het onderzoek wijst ook op een tweede risico. Door de hervorming verschuiven mensen van een werkloosheidsuitkering naar een ziekte-uitkering of een leefloon, of verdwijnen ze helemaal uit beeld. Spinnewijn waarschuwt dat de overheid daarmee ook de informatie en expertise verliest om hen opnieuw te helpen. Een administratieve verschuiving lost het onderliggende probleem niet op.
We lezen het onderzoek daarom als een uitnodiging. Wie wil weten wat werkt voor mensen ver van de arbeidsmarkt, moet ook kijken naar de trajecten die daarvoor ontworpen zijn.