Doorgaan naar content

Gevolgd in de media: "Een derde opnieuw aan het werk? Dan moet minister Demir de cijfers toch nog eens goed lezen."

Een derde terug aan het werk? Een nuance bij de cijfers

In een opiniestuk in De Standaard plaatst Johannes Spinnewijn, hoogleraar aan de London School of Economics, kanttekeningen bij de cijfers die Vlaams minister van Werk Zuhal Demir recent bracht over de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd. Volgens minister Zuhal Demir vonden 18.799 van de 58.453 getroffen Vlaamse werkzoekenden intussen werk, of 32 procent.

Spinnewijn wijst erop dat uitstroom niet hetzelfde is als impact. Ook vóór de hervorming vond ongeveer 23 procent van de langdurig werklozen werk. Volgens een causale analyse van de VDAB zelf is ongeveer 7 procentpunt extra uitstroom toe te schrijven aan de hervorming. De 32 procent steunt bovendien op de ruimste definitie: wie op minstens één meetmoment werkte, telt mee. Kijkt de VDAB naar duurzamer werk, met minstens drie opeenvolgende maanden, dan gaat het om 17 procent, waarvan ongeveer 5 procentpunt door de hervorming. De moeilijkst activeerbare groep bleef buiten de berekening. Van die groep had amper 4,7 procent ooit gewerkt, stroomde 35 procent uit naar ziekte en ontving ongeveer 20 procent een leefloon. Van zo’n 40 procent is niet bekend wat er met hen gebeurde.

Spinnewijn benadrukt daarnaast dat begeleiding werkt. In zijn eigen onderzoek, op basis van verschillen in aanpak bij de VDAB, stelt hij vast dat persoonlijke begeleiding de uitstroom naar werk verhoogt en tewerkstelling stabieler maakt. Mensen met de slechtste vooruitzichten reageren wel het minst op standaardbegeleiding. Werkzoekenden verschillen sterk in wie welke hulp nodig heeft, en volgens Spinnewijn kunnen de middelen daarom veel gerichter worden ingezet. Tegelijk wordt bespaard op de VDAB en op de middelen voor activering bij de OCMW’s. Hij besluit dat de overheid na een van de grootste hervormingen van de sociale bescherming de verantwoordelijkheid heeft om eerlijk te meten wat ze bereikt, en niet alleen het gunstigste cijfer uit een rapport te kiezen.

Wat betekent dit voor de werkplekarchitecten?

Het opiniestuk bevestigt wat werkplekarchitecten dagelijks zien: begeleiding maakt een verschil, zeker wanneer ze is afgestemd op de persoon. Juist bij mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt volstaat een standaardaanpak niet, en dat is waar maatwerk in begeleiding, opleiding en werkplekleren het verschil maakt. Daarom pleiten we voor een eerlijke en volledige evaluatie, met aandacht voor duurzame tewerkstelling en voor de groep die het moeilijkst de weg naar werk vindt. Alleen zo kunnen beleid en praktijk samen bepalen waar middelen het meeste effect hebben, en is besparen op begeleiding net nu een moeilijk te verantwoorden keuze.