Groei van flexi-jobs: impact op activering en arbeidsmarkt
Vraagsteller: Eva Platteau (Groen)
Eva Platteau opende het debat met cijfers die wijzen op een sterke groei van flexi-jobs. Het aandeel flexi-jobvacatures steeg van 1,7% van het totale vacatureaanbod in 2016 naar 8,1% in 2025, goed voor meer dan 24.000 vacatures.
Ze plaatste deze evolutie in de context van federale beleidskeuzes die het systeem hebben uitgebreid en financieel aantrekkelijker hebben gemaakt.
Haar centrale bezorgdheid is het mogelijke verdringingseffect. Flexi-jobs situeren zich vooral in laagdrempelige functies, net die jobs die vaak dienen als instap voor kortgeschoolden en langdurig werkzoekenden. Ze verwees ook naar signalen van werkzoekenden die worden geweigerd omdat werkgevers uitsluitend flexi-jobbers zoeken.
Daarnaast stelde ze vragen bij de rol van VDAB. Volgens haar heeft de dienst onvoldoende zicht op sectorale evoluties en voert ze geen actief beleid ten aanzien van flexi-jobvacatures.
Ze stelde expliciet vragen over:
het bestaan van studies naar verdringingseffecten;
de rol van VDAB in het verspreiden van flexi-jobvacatures;
en hoe de Vlaamse regering wil vermijden dat flexi-jobs de activeringsdoelstellingen ondergraven.
In haar repliek werd Platteau scherper. Ze stelde dat jobgroei vandaag vooral plaatsvindt in studentenarbeid en flexi-jobs, en minder in duurzame contracten. Tegelijk wees ze op een spanningsveld in het beleid: werkzoekenden worden geactiveerd, terwijl beschikbare jobs steeds vaker tijdelijk of atypisch zijn.
Antwoord van minister Zuhal Demir
Minister Demir erkende de stijging van het aantal flexi-jobs, maar nuanceerde de interpretatie. Ze gaf aan dat de Vlaamse overheid geen volledig zicht heeft op alle vacatures, onder meer omdat een groot deel via uitzendkantoren verloopt.
Ze verwees naar bestaande studies, waaronder een rapport van het Rekenhof (2019) en een studie van HIVA (2024). Volgens deze studies is er geen eenduidig bewijs voor verdringing, omdat de groei van flexi-jobs gepaard ging met een toename van reguliere jobs.
De minister gaf aan geen bijkomend onderzoek te plannen en verwees naar een lopende evaluatie op federaal niveau binnen de Nationale Arbeidsraad.
Ze benadrukte dat flexi-jobs voor veel mensen een bewuste keuze zijn en dat hun aantrekkelijkheid samenhangt met de hoge loonkosten in België. Voor Vlaanderen blijft de focus volgens haar liggen op activering via bestaande instrumenten.
Tussenkomsten van commissieleden
Tom Lamont (Vlaams Belang) stelde vragen bij de rol van VDAB. Volgens hem hebben flexi-jobs weinig activerend karakter, aangezien ze vooral worden ingevuld door mensen die al werken of gepensioneerd zijn.
Katrien Houtmeyers (N-VA) verdedigde het systeem en benadrukte het belang voor sectoren zoals de horeca, waar flexi-jobs helpen om personeelstekorten op te vangen.
Tom Ongena (Anders) wees op de economische meerwaarde en stelde de vraag of flexi-jobs ook als opstap voor werkzoekenden kunnen dienen.
2. Indicering in de sociale economie: capaciteit en kwaliteit
Vraagsteller: Bieke Verlinden (Vooruit)
Bieke Verlinden bevroeg de voortgang van de hervormde indiceringsprocedure in de sociale economie. Ze stelde vast dat de uitrol trager verloopt dan gepland en uitte bezorgdheid over de capaciteit bij lokale besturen om de nieuwe ICF-gebaseerde indiceringen uit te voeren.
Ze vroeg hoe de Vlaamse regering de capaciteit wil versterken, de kwaliteit wil bewaken en lokale besturen wil ondersteunen in hun nieuwe rol.
Antwoord van minister Hilde Crevits
Minister Crevits verwees naar een taskforce die de implementatie opvolgt. Volgens haar zijn er al verschillende indicatiestellers opgeleid en groeit het aantal lokale besturen dat instapt.
Ze stelde dat het knelpunt niet zozeer de capaciteit is, maar het feit dat beschikbare opleidingsplaatsen niet volledig worden ingevuld.
Tegelijk benadrukte ze dat sociale economie bedoeld is voor mensen met een complexe en langdurige afstand tot de arbeidsmarkt, en niet als algemene opvangstructuur.
Aanvullende tussenkomst
Eva Platteau waarschuwde dat sociale economie geen automatische eindbestemming mag worden en dat inclusie in de reguliere arbeidsmarkt het uitgangspunt moet blijven.
3. Enclavewerking: groeiend instrument, beperkt zicht
Vraagsteller: Ine Tombeur (N-VA)
Ine Tombeur vroeg naar de stand van zaken van enclavewerking, waarbij werknemers uit de sociale economie werkervaring opdoen in een reguliere bedrijfscontext. Ze wees op het gebrek aan actuele cijfers over het gebruik en de doorstroomresultaten.
Antwoord van minister Hilde Crevits
De minister bevestigde dat enclavewerking groeit en actief wordt gepromoot via communicatie en samenwerking met sectoren. Tegelijk gaf ze aan dat het moeilijk is om gedetailleerde cijfers te verzamelen, onder meer door het flexibele karakter van deze trajecten en het ontbreken van specifieke registratie.
4. Individueel maatwerk: potentieel nog niet volledig benut
Vraagsteller: Tom Ongena (Anders)
Tom Ongena stelde dat individueel maatwerk een belangrijk instrument is, maar nog onderbenut blijft. Hij vroeg naar een evaluatie van het systeem en naar de redenen waarom werkgevers het nog onvoldoende gebruiken.
Antwoord van minister Hilde Crevits
De minister gaf aan dat individueel maatwerk een brede doelgroep bereikt, waaronder ook mensen die re-integreren na ziekte. Tegelijk erkende ze dat er nog veel onbenut potentieel is: duizenden mensen hebben een indicatie, maar nog geen job binnen het systeem.
Aanvullende tussenkomst
Eva Platteau wees erop dat de uitdaging niet alleen bij werkgevers ligt, maar ook bij de structuur van het systeem en het aanbod aan passende jobs.
5. Sociale economie en re-integratie van langdurig zieken
Vraagsteller: Ine Tombeur (N-VA)
Tombeur bevroeg de rol van sociale economie in de re-integratie van langdurig zieken en stelde vast dat de instroom momenteel beperkt is.
Antwoord van minister Hilde Crevits
De minister nuanceerde deze cijfers en gaf aan dat veel langdurig zieken via andere kanalen re-integreren, zoals individueel maatwerk of reguliere tewerkstelling. Ze wees ook op federale regels die soms een rem vormen op progressieve werkhervatting.
Tot slot
De besproken dossiers tonen hoe verschillende arbeidsmarktinstrumenten elkaar beïnvloeden. Flexibilisering, activering, sociale economie en maatwerk bestaan niet los van elkaar, maar vormen samen het landschap waarin werkzoekenden en werkgevers zich bewegen.
Voor werkplekarchitecten ligt hier een duidelijke opdracht: blijven inzetten op trajecten die niet alleen leiden tot werk, maar ook rekening houden met toegankelijkheid, duurzaamheid en de realiteit op de werkvloer.